Rand
Er was een man naast wie ik soms sliep, en die zei dat Sanna
Marin aandacht wou met haar decolleté. Ik bekeek een foto van die decolleté. Ze
kan het hebben, zei ik. Maar ze is de premier van Finland, zei hij, en ik
haalde mijn schouders op. Je kan best premier zijn en een mooie decolleté
hebben, zei ik, maar dat was zijn punt niet. Eigenlijk was zijn punt toen al
geen punt meer, maar een ronde kogel. Zijn punt was wel nog een punt geweest
toen hij een jaar of wat eerder zijn theorie over Iljo Keisse uit de doeken had
gedaan: die Argentijnse vrouw had met ópzet voorover gebogen toen die foto
getrokken werd, om zijn suggestieve houding uit te lokken: hand in zijn nek,
kruis vooruit. Want dat is wat mannen automatisch doen als vrouwen voorover
buigen, kunnen ze niks aan doen. Gniffelend had ze de foto bekeken, grijnzend
was ze naar de media gestapt, dollartekens in haar ogen.
Sprong naar twee jaar later. Gert Vande Broek, de
volleybalcoach tegen wie klacht was ingediend voor grensoverschrijdend gedrag,
kón niet schuldig zijn. Het kon écht niet, want de man naast wie ik soms sliep
kende hem persoonlijk; hij had in dat wereldje gezeten en kende de zweep en het
klappen. Die vrouwen waren uit op wraak omdat ze niet waren geraakt waar ze
wilden geraken, maar Gért, Gert zou nóóit iets hebben gedaan wat te ver ging.
Gert wíst wat hij deed en het wérkte. Topcoach, dat onderzoek mocht de kast in,
want de man naast wie ik soms sliep kende Gert.
In de kamer waar we soms sliepen lag ik wakker, muisstil, te
luisteren naar de baby die huilde in het huis naast ons. Het was een zacht
huilen, geen gekrijs, het was best draaglijk, met wat goede wil sliep je er
misschien doorheen. Soms stopte het, en dan zakte je weg, tot je weer wakker
schoot, ja, je had toch echt weer wat gehoord. Het stopte nooit helemaal, het
zat net tegen de grens aan. Het ging er nooit voluit over, nooit had je een
reden om het dekbed van je af te smijten en vloekend op zoek te gaan naar
hulpmiddelen, maar je lag uren wakker en voelde het dreinen zacht duwen tegen
de rand van je uithoudingsvermogen.