Hilde
We zaten in het begin van de jaren 90 en het regende. We waren in Château-d'Œx. We renden rond op het vakantiedomein en ik gleed uit op de kiezels. Mijn knie stak er vol mee. Een verpleegster peuterde ze eruit met een pincet. Vrij snel werd het zwart voor mijn ogen en hoorde ik alle geluid alsof ik kopje onder ging in het zwembad. Toen ik weer bovenkwam, zat er een dik verband rond mijn knie. De rest van de dagen in Château-d'Œx durfde ik mijn knie niet meer te plooien, bang dat alles open zou scheuren.
Er zijn mensen die het een teken van moed vinden om pijn te
verbijten. Ze halen zelfs geen pijnstillers in huis. Ik heb pijnstillers in
alle vormen: Dafalgan-bruistabletten, Spidifen-poeder, Ibuprofen-pillen en
Brufen-granulaat. Granulaat. Dat klinkt als granaat. Of granola. Maar het is
veel beter. Want het helpt tegen pijn. Alles wat helpt tegen pijn, is welkom in
mijn huis.
Ook heel wat Ikea-spullen zijn welkom in mijn huis.
Ik plooide mijn knie niet en zo mankte ik met mijn stoklijf
en mijn malle kapsel door de Zwitserse regen en uitgerekend toen werd ik
verliefd. Onder mijn malle kapsel zat een stel hersenen dat gonsde en schokte
van de verliefdheid. Sommige mensen denken dat je verliefd wordt met je hart,
maar dat slaat nergens op. Een hart doet niets anders dan pompen als een
techno-beat. Bloed erin, bloed eruit. Telkens weer dezelfde beweging. Een hart
weet van geen verliefdheid. Het is simpel. Ta-dam, ta-dam, ta-dam.
Het hoofd legt daar lagen en lagen vol ingewikkeldheden bovenop. Een geluid als
veertig orkesten door elkaar, elk in een andere maat, in een andere toonaard,
met een andere bezetting.
Het ergste moet nog komen. Niet alle meisjes liepen te
manken door de Zwitserse regen. Sommige meisjes droegen turkooizen, gebloemde
rokjes en hadden een lijf dat nooit, vanuit welke hoek je ook keek, op een stok
leek en een kapsel dat nooit, vanuit welke hoek je het ook bekeek, mal was. Ze
keken altijd alsof er twee categorieën van dingen waren: de dingen die van hen
waren en de dingen die ze niet nodig hadden.
Alle afgunst die daarna zou komen, was een herhaling van die
eerste afgunst.
Hoe ze ook zouden heten, ze heetten allemaal Hilde.
Welke pijn ik ook zou voelen, ik voelde het scheuren van mijn knie.
Hoe oud ik ook zou worden, ik was uiteindelijk gewoon elf.
Wat ik ook zou zeggen, ik stond gewoon te zwijgen.
Ik zag ze zitten, samen op een bankje, terwijl ik voorbij
mankte. Het duurde misschien twee seconden en in die twee seconden zag ik heel
duidelijk wat ik was en altijd zou zijn: een houterig, ellenlang elfjarig
meisje dat mankend door de speelweide loopt en tot staan wordt gebracht door
andermans liefde.