Cornelia
Wit met kleine, rode aardbeien was haar badpak, en de
meisjes stonden in een kringetje rond haar, vlakbij de rand van het zwembad.
Niemand had zo’n badpak als zij, ze droeg ook als enige geen badmuts. Haar
haren hingen te lekken langs haar rode ogen, bleke wangen. Ze was erin getuind,
ze was boos, ze wachtte het signaal van de zwemjuf niet af en nam een
aanloopje, splash in het diepe. Meteen werden de geluiden dof,
vervormden de stemmen van de meisjes met hun zwart-met-fluo badpakken die aan
de rand waren blijven staan, dat wist ze wel. Ze zouden haar niet achterna
springen. Ze zwom naar het diepste punt, daar waar de tegels donkerder waren,
daar waar niemand ooit was gekomen en zij zich nu op de bodem zou leggen, buik
omlaag. Het water bood weerstand maar ze daalde nog. De aardbeien zwommen met
haar mee, die zou ze van zich af plukken daar op de bodem, ze zou ze allemaal
kapotbijten en de stukjes aardbei laten ronddrijven in het chloorwater en
uiteindelijk zouden ze komen bovendrijven, waar de meisjes er gillend naar
zouden wijzen omdat ze dachten dat het bloed was. De meisjes dachten snel dat
iets bloed was. Ze waren ook allemaal heel erg bang voor bloed, ze wisten
eigenlijk niks. Ze hadden niet gezien wat zij had gezien, tenslotte. Ze wisten
niet dat bloed niet het ergste was. Ze kon zelf ook niet zeggen wat precies
erger was geweest dan dat bloed, maar ze wist wel zeker dat er iets was
geweest. De onmogelijke hoeken misschien. Van de scharnierpunten: ellebogen,
knieën, schouders. Haar middelvinger raakte de bodem even, dat was de vinger
die het verst kon reiken als ze haar arm uitstrekte, maar het volstond niet. Ze
deed haar uiterste best om op de tegels te gaan liggen zoals ze het zich had
voorgesteld, maar het water was sterk en stilaan kwam ze in ademnood. Ze moest
doorzetten nu, ze moest afmaken waaraan ze begonnen was. Als ze nu weer naar
het wateroppervlak zwom om zich daarna uit het water te hijsen, zou het op een
grap lijken. Kijk wat Cornelia deed! Daar zou ze staan, gewoon met die
aardbeien nog op haar badpak, alles zoals voorheen. Tante Valerie in de cafetaria
die met haar neus tegen het raam geplakt zou zien dat er niet te ontsnappen
viel aan de aardbeien die ze in de kringloopwinkel uit de rekken had gevist;
echt iets voor Cornelia. Vrolijke, zoete aardbeien voor een treurig weesje.
Waarover zij, tante Valerie, zich ontfermd had. Ze probeerde het water naar
zich toe trekken om gemakkelijker te kunnen gaan liggen, maar het viel niet mee
en haar longen waren twee egels geworden waarvan de stekels rechtop stonden en in
al haar ingewanden prikten. Ten einde raad perste ze alle lucht eruit om minder
de neiging te hebben om te drijven, want lucht ging altijd omhoog, en ze hield
zich roerloos in de hoop traag maar zeker op de bodem te landen. Haar gezicht
naar beneden, haar lippen vastgezogen op de tegels, de palmen van haar hand
zacht zwevend boven de bodem. Daar ligt ze, Cornelia! Als ze ogen in
haar rug had zou ze ze zien: de acht hoofden van de meisjes die gebukt stonden
boven het water en haar met open monden aanstaarden. Acht bijna onherkenbare
hoofden die wiegden, rimpelden, zwollen, slonken.