Droevige feiten zijn ook feiten
Ik zit in de cafetaria. Er is geen daglicht, er speelt wel
muziek uit de jaren 80. Maar die muziek telt niet voor daglicht. De eerste slok
cola smaakt naar chloor, de tweede al minder. Achter het dubbele glas met vocht
tussen lopen kinderen met oranje zwemvleugeltjes van Intex. De springplank
trilt nog na; iemand is zonet het water ingedoken en zwemt nu naar het trapje
om opnieuw te springen. Ik neem een paprikachip uit het vettige zakje. Nog
één. Het is dat kraken, het werkt verslavend. Straks loopt het zwembad leeg,
dan gaat iedereen met nat haar naar buiten, waar het donker is en het naar
winter ruikt: scherp, ijzig. De cafetaria loopt ook leeg, de barvrouw spoelt de
laatste glazen, zet ze ondersteboven op hun plek op de glazen legplank. Glas op glas, het knarst een beetje. Iemand
zal komen zeggen dat ook ik weg moet, maar ik weet niet goed waarheen. De plek
waar ik thuishoor heeft een zetel waarin ik mezelf zie liggen zodra ik erin
lig, het zou moeten helpen omdat het een vorm van zelfvervreemding kan zijn,
maar zo werkt het niet: bovenop mijn zelfbewustzijn voel ik me ook onaangenaam
verwant met de vrouw in de zetel. De chips zijn op, de Intex-bandjes zijn
platgeduwd, de glazen zijn schoon. Ga naar huis, lever de strijd, geef het de
naam die het toekomt. Leer zwemmen zoals het hoort.