Eindelijk
Ze staat in de gang, klein bleek smal, of we even kunnen
praten, haar stem klinkt dun. Ik zet thee, ze drinkt, ze vraagt hoe ik ontsnapt
ben. De thee is netel, ik moet glimlachen ondanks alles. Ik ben ontsnapt, ik fluister
het woord en het wordt een gebreide trui die ik had kunnen omdoen die keren dat
ik op het zetelbed vastgeketend zat. Ze is niet echt welkom, daar heb ik geen
zin in, zo vredelievend ben ik niet. Ik ben het allicht nooit geweest, anders
had ik veel liever andermans boterhammen gesmeerd. Ik vraag of ze nog thee moet
maar ze is al aan het verpulveren, ik sta ernaast en kijk ernaar. Ontsnappen,
zeg ik, kan op veel manieren. Nu ligt er een hoopje poeder op de stoel waar ze
zat, ik veeg het bijeen op een blik en houd dat ondersteboven uit het raam: ze
dwarrelt naar beneden en ik ga weer zitten; alle stilte kan eindelijk beginnen.