Gelukkig
We
zijn op Zwammy’s begrafenis, ik heb mijn haar in een strakke vlecht. Naast me
zitten al mijn broers en zussen, een heel leger vormen we; gladde kapsels,
blinkende harnassen, niemand lacht. We zitten op de tweede rij. De kist staat
vooraan, helemaal wit en kleiner dan je zou denken. Zo lijkt hij wel een kind.
Hij zat in zijn keel, de kanker, en van daaruit zette hij zijn strooptocht
verder tot Zwammy bezweek. Ik hoorde het nieuws van mijn dochter, we aten
couscous die voelde als hard gruis in mijn mond. Ik had altijd wel geweten dat
er iets met zijn keel was, zoals hij praatte en zweeg, maar dat het allemaal
zo’n vaart zou lopen, wie had dat kunnen denken. Ik ruimde de tafel af en belde
naar al mijn broers en zussen, die dingen zeiden als ‘het is misschien maar
beter zo’ en ‘het is erg voor zijn kinderen, dat wel’ en ‘niemand heeft hier
schuld aan’. Dat laatste deed vermoeden dat er wel degelijk iemand schuld aan
had. Ik ging op het terras zitten, mijn hielen op de stoel, mijn armen rond
mijn benen, zodat alle afrondende gedachten konden komen. Er kwam niks, een
luide duif scheet op de balustrade. Ik pulk aan het uiteinde van mijn vlecht,
de punten voelen ruw, aangenaam. Iemand vooraan neemt het woord, al mijn broers
en zussen houden me in de gaten, ik onderdruk een glimlach.
Ik voel me eindelijk schuldig, eindelijk gelukkig.
Ik voel me eindelijk schuldig, eindelijk gelukkig.