Gerimpeld, geschift
Dat mijn moeder een moeder had, en dat zij op haar beurt een
moeder had, die een moeder had, die net als wij allemaal een moeder had, dat
het niet ophoudt, die hele reeks moeders, dat ze zich een weg slingeren
doorheen deze eeuw, doorheen de middeleeuwen, terug naar de oorsprong, dat geen
van hen kinderloos gestorven is, aan pest, aan hongerige wolven, aan
rondrazende treinen. Dat ze allen een moeder hadden die ze moeder noemden, dat
ze allicht niet allemaal de taal spraken die ik nu spreek, dat ze misschien
brulden of jammerden, dat ze nauwelijks rechtop konden lopen, dat ze hersens
hadden zo groot als een vuist, dat ze uit het water kropen, of dat ze uit een
rib ontstonden.
Dat de kans bijzonder klein is dat uit mij een reeks dochters geboren zal worden die het jaar tweeduizend vierhonderd zal halen. Dat dat niet opzettelijk is, maar evengoed jammer.
‘Leg de mouw zo plat je kan,’ zeggen de moeders, of: ‘voeg de melk geleidelijk toe’.
Ik leerde de chaos bedwingen van ongestreken kleren en flets smakende bloemkool. Eerst woog ik ze in mijn hand, het ijzer en de klopper, ik voelde hun gewichtigheid en toch rimpelde en schiftte zowat alles.
Dat de kans bijzonder klein is dat uit mij een reeks dochters geboren zal worden die het jaar tweeduizend vierhonderd zal halen. Dat dat niet opzettelijk is, maar evengoed jammer.
‘Leg de mouw zo plat je kan,’ zeggen de moeders, of: ‘voeg de melk geleidelijk toe’.
Ik leerde de chaos bedwingen van ongestreken kleren en flets smakende bloemkool. Eerst woog ik ze in mijn hand, het ijzer en de klopper, ik voelde hun gewichtigheid en toch rimpelde en schiftte zowat alles.
De mannen hielden zich afzijdig, zittend naast een leegbloedend dier.