Knecht
De stalknecht kan lang zwijgen. Met zijn stalgeur. En zijn stalhanden, ik heb ze wel gezien. Ik liet hem binnen omdat ik bezigheden zocht en nu heb ik zijn stalhanden wel gezien. De soep is nog warm. Buiten maken oplichtende mensen vuren. Nog verderop is de nacht al begonnen, is er al geen ontkomen meer aan. Zo laat is het al, maar de stalknecht is nog bij mij, en ook al zegt hij niets, hij mag nog even blijven. Met zijn klikken en zijn klakken. Zijn hebben en zijn houden. Zijn si en zijn la. Vind je het goed dat ik alvast mijn lenzen uitdoe, vraag ik. Ja, dat vindt hij goed, en ik pulk de lenzen uit mijn ogen en druppel er vloeistof op. Nu zie ik bijna niets. Vlekken. Net niet op de tast loop ik naar de pan en schenk soep in een kom, meteen voel ik de warmte tegen mijn handpalmen. Hier, soep, zeg ik, en ik mik de kom in zijn handen en ik denk dat ik mors maar hij zegt nog altijd niets, hoe lang kan het nog duren. Ik ga met opgetrokken benen in de zetel zitten en ik vraag me of ik nu weer naar bezigheden moet zoeken, want zoveel maakt het niet uit, wel of geen stalknecht. Maar dan vertelt hij over de paarden en wat het inhield knecht te zijn en ik hang aan zijn lippen die smaken naar soep van ui en wortel. En raapjes.