Piet of Nel
Vlak na mijn vaders dood legde ik een van zijn doodprentjes
onder mijn kussen. Als ik wakker werd, lag het vaker niet dan wel nog onder dat
kussen, maar dan kon ik me voorstellen dat hij op eigen krachten die afstand
had afgelegd. Alleen: het kaartje kreukte, het karton werd zacht,
de foto van mijn vader op de voorkant werd minder scherp en verbleekte. Na
enkele maanden stak ik het in een schoendoos waarop ik in blokletters
‘herinneringen’ had geschreven. Verder zat er niets in. Beneden in de dressoirkast bewaarde
mijn moeder nog een hele stapel van die kaartjes – die waren nog niet eens doormidden geplooid. Daar lag mijn vader, op en onder zichzelf, te wachten tot hij de kast
uit mocht. Ik nam het bovenste kaartje, bekeek de foto, legde hem onderaan de
stapel. Er was geen goeie manier om te beslissen welke vader ik met een punaise
boven zijn hoofd in de muur op mijn slaapkamer zou prikken.
Ik nam de stapel uit de kast, spreidde de kaartjes uit over de tafel en
fluisterde: ‘Pot pot pot,’ waarbij ik telkens een kaartje aantikte. ‘Onder de
tafel ligt een wafel. Piet of Nel, wie kies je wel?’ Alle vaders zwegen, ze
waren vast aan het uittellen welke antwoord hen het best uitkwam. ‘Nel,’ zei
ikzelf, en ik verplaatste mijn vinger nog enkele keren. Het kaartje waarop mijn
vinger bleef liggen, griste ik van tafel.
De rest veegde ik op een hoopje dat
ik in de kast teruglegde.