Sprongetjes

Uiteindelijk gaat alles in sprongetjes. Als ze haar hand over het toetsenbord beweegt, lijkt die een vloeiende beweging te maken. Als haar hand van a naar b gaat, passeert die ook aan punt c, precies het midden van a en b. En hij passeert ook aan punt d, precies het midden van a en c. En aan punt e, het midden van a en d. Enzovoort. Steeds kleiner. Haar hand passeert op alle punten tussen a en b. Zo voelt het. Maar het is niet zo; ooit stopt het. Het gaat niet eeuwig door. Als je de afstand klein genoeg maakt, kan je ze niet meer delen. Die afstand is 1 plancklengte, leest ze. lP ≈ 1,616199 × 10−35 m. Heel, heel klein. Er is ook een planckmassa (heel, heel licht) en een plancktijd (heel, heel kort). Dat zijn de minima. Kleiner, lichter en korter lukt niet in dit heelal. Het troost haar. Ze kijkt naar de mist buiten, hoe de takken van de bomen erin hangen, hoe alles is vergrijsd. Ooit is iets - een afstand, gewicht, moment - ondeelbaar. De dingen maken sprongetjes, plancksprongetjes. In de wiskunde kan alles eeuwig doorgaan met delen, alles kan altijd gehalveerd worden, maar in de echte wereld is dat niet zo. De echte wereld is uitputbaar, kent uiterste waarden. Eindes.
Ze wou dat ze veranderde in een kubusje van één planck op één planck op één planck, dan zou ze enkel nog sprongetjes maken, dan zou de wereld een raster zijn van plaatsen waar ze precies in paste – voor één keer zou ze precies ergens in passen.

Populaire posts van deze blog

Rand

Moet je horen

Hilde