Tienduizend liter vloeibare beton
Zingend stapte ze met de kinderen door het bos, er lag
sneeuw op de grond waar zwarte takken en blaadjes doorheen staken. De kinderen
hadden wanten aan die ze afwisselend in haar eigen wanten liet glijden en ze
voelde zich Maria in de Sound of Music maar dan in een bos in de sneeuw. Soms
raapten de kinderen sneeuw van de grond waar ze sneeuwballen van maakten die ze
zo hard aanduwden dat het glinsterende, witte keien werden. Die smeten ze in
het rond en ze was bang dat één van die ballen een kind tegen het hoofd zou
raken.
De kinderen vonden het wandelen maar niets, daarom moest ze liedjes blijven zingen met hen, zodat de tijd gevuld werd en ze het gevoel had dat ze alles onder controle had en dat de dag wel donker was maar ook een zilveren randje had, zoals in een sprookje. Die liepen ook goed af, met huwelijken soms, in elk geval altijd met veel geluk. De wanten van de kinderen plakten van de sneeuw, soms leken ze wel vast gelijmd aan de hare en ze voelde de wind waaien door de kieren in haar kleren.
Op een honderdtal meter voor hen liep De Man Die Soms Veranderde In Een Put. Lang voor de wandeling begon had hij op een rots geleken. Een veelbelovende, koperkleurige rots. Maar gaandeweg had ze gemerkt dat de rots in een oogwenk naar binnen werd gezogen, de aarde in, dat hij zijn eigen negatief werd, een gapend gat. Wat je in de put wierp, was je kwijt.
Ze keek waar ze heen moesten, zij en de kinderen, De Man Die Soms Veranderde In Een Put wist de weg, dus moest ze alert zijn; ze mocht hem niet uit het oog verliezen. Hij droeg een wollen muts, hij zei niets, hij liet een kloof na in de aarde overal waar hij kwam en zij manoeuvreerde zich erlangs met die schare kinderen voor en naast en achter haar.
Tien kleine visjes zongen ze en De mosselman. Meer dan de helft van de kinderen kende ze enkel bij naam. Ze zei hun namen zo vaak mogelijk, dat had altijd geholpen maar ze was vergeten waartegen.
De sneeuw plakte aan de onderkant van haar wandelschoenen en ze dacht aan paasklokken die galmend door de hemel vlogen en chocola in gekleurde papiertjes naar beneden strooiden die smolt in de warme kindermonden, ook in de monden van de kinderen van wie ze enkel de naam wist.
Het enige wat ze nodig had, was tienduizend liter vloeibare beton.
De kinderen vonden het wandelen maar niets, daarom moest ze liedjes blijven zingen met hen, zodat de tijd gevuld werd en ze het gevoel had dat ze alles onder controle had en dat de dag wel donker was maar ook een zilveren randje had, zoals in een sprookje. Die liepen ook goed af, met huwelijken soms, in elk geval altijd met veel geluk. De wanten van de kinderen plakten van de sneeuw, soms leken ze wel vast gelijmd aan de hare en ze voelde de wind waaien door de kieren in haar kleren.
Op een honderdtal meter voor hen liep De Man Die Soms Veranderde In Een Put. Lang voor de wandeling begon had hij op een rots geleken. Een veelbelovende, koperkleurige rots. Maar gaandeweg had ze gemerkt dat de rots in een oogwenk naar binnen werd gezogen, de aarde in, dat hij zijn eigen negatief werd, een gapend gat. Wat je in de put wierp, was je kwijt.
Ze keek waar ze heen moesten, zij en de kinderen, De Man Die Soms Veranderde In Een Put wist de weg, dus moest ze alert zijn; ze mocht hem niet uit het oog verliezen. Hij droeg een wollen muts, hij zei niets, hij liet een kloof na in de aarde overal waar hij kwam en zij manoeuvreerde zich erlangs met die schare kinderen voor en naast en achter haar.
Tien kleine visjes zongen ze en De mosselman. Meer dan de helft van de kinderen kende ze enkel bij naam. Ze zei hun namen zo vaak mogelijk, dat had altijd geholpen maar ze was vergeten waartegen.
De sneeuw plakte aan de onderkant van haar wandelschoenen en ze dacht aan paasklokken die galmend door de hemel vlogen en chocola in gekleurde papiertjes naar beneden strooiden die smolt in de warme kindermonden, ook in de monden van de kinderen van wie ze enkel de naam wist.
Het enige wat ze nodig had, was tienduizend liter vloeibare beton.