Tot alles in staat
De meisjes hadden namen van drie lettergrepen en blonde
dotjes. Als ze op hun rug lagen met hun knieën opgetrokken konden ze die plat
op de grond duwen, aan weerszijden van hun lichaam, als een kikker met zijn
buik naar de hemel gericht, maar ze kwaakten niet.
Als ik ging plassen in het ruime, roze toilet bij de ingang van de
balletschool, spoelde ik nooit door. Zo had ik het thuis geleerd: voor een plas
moest er geen water verspild worden. De balletjuf ging niet akkoord en liet me
teruggaan. Ik duwde de knop in en keek hoe het water mijn plas weg gorgelde. In
de gang stonden alle blonde dotjes met namen van drie lettergrepen, ze wisten
wat ik deed. Ik zag mijn haar in de spiegel boven de lavabo. Bruin haar in een
carré geknipt, de frou scheef omdat mijn moeder die zelf bijknipte. Mijn kapsel
stond haaks op die hele balletschool.
Voor kerst moesten we zelf een versiering knutselen om in de boom te hangen. De
boom was klein maar breed en stond naast de barre, tussen de twee spiegels aan
beide muren. De boom ging eindeloos door in een rij die zacht kromde en wazig
werd na verloop van tijd. In ons gezin werd er gelezen, niet geknutseld, dus
kreeg ik een kant-en klare kerstversiering mee uit de Lacra. Een balkje
piepschuim in glinsterend papier met een strik en een lusje aan, om meteen aan
een tak in de boom gehangen te worden, de boom waaruit alle andere bomen ontsproten.
Dat de binnenkant van mijn versiering van piepschuim was, wist ik omdat ik het
glinsterpapiertje er even af had gehaald. Ik stelde me voor hoe mijn balletjuf
zou vragen of ik mijn mooie versiering wel zelf gemaakt had, en zo ja: hoe dan.
Ze was ertoe in staat. Iemand die je knieën op de grond duwt zodat je een
kermende kikker wordt, is tot alles in staat.