Van ver

Negentien was hij, was ik. Timber van Coldcut stond op, ik zat op mijn bureau met mijn blote voeten op de stoel. Hij zat op mijn bed, er was weinig licht in de kamer, zoals altijd. Ik had een klein raam met een afdak dat uitkeek op bomen – ik moest altijd het licht aandoen. Als ik over de middag naar de buurtwinkel om eten ging, stond ik telkens een halve minuut tegen het zonlicht in te knipperen.
Zijn gezicht was gehavend, ik kon er moeilijk naast kijken en ik wist wel wat hij kwam doen maar tegelijk ontging er mij van alles, het enige wat ik voortdurend dacht, was: ik moet hem ontzien. Omdat ik het nu wist, van hem, van wat hij geprobeerd had. Ik was bang dat ik een nieuwe aanleiding ging zijn dus gaf ik hem gekleurde zakjes die er mooi uitzagen. Er zat niks in omdat ik nog niet geleerd had om er iets in te steken.
Soms wou ik alleen zijn in mijn donkere kot, als ik dan iemand hoorde naderen in de gang was het te laat om de sleutel om te draaien en dan ging ik met mijn volle gewicht tegen de deur staan. Het gebeurde dat iemand probeerde om toch mijn deur te openen zelfs als ik dat niet had gedaan nadat er geklopt werd. Als ik tegen de deur leunde, stelde ik me voor dat ik niet sterk genoeg was en dat de deur even zou meegeven. Vijf centimeter, en met een dreun weer dicht. Wat kon daar de verklaring voor zijn.
Hij ging weg en liet zijn geur na, die niet slecht was, en ik ging slapen in het smalle bed en november was van ver een stip, van dicht een roofvogel.

Populaire posts van deze blog

Hilde

Rand

Moet je horen