Wat zou het ook (Bennie)
Nina was mijn vriendin van mijn negentiende tot mijn
vijfentwintigste, een periode waarin ze mij ruimschoots de tijd gaf minder
appetijtelijk te worden dan ik had kunnen zijn. Maar wat wil je? We gingen de
helft van de keren op restaurant uit luiheid en dronken elke avond een fles
witte wijn. Zij dacht eraan op tijd een fitnessabonnement
te nemen, ik bleef rustig in de zetel zitten vervetten. Wat zou het ook, dacht
ik, ik ben van straat. Wat zou ik met een strak en sterk lichaam moeten
aanvangen als ik Nina al weten te strikken heb? Tot ik haar op een dag huilend
in de keuken aantrof. Eerst dacht ik dat haar vader dood was, maar het was nog
erger.
Ze suste haar geweten door me én de koelkast én de wasmachine te geven, waar we destijds nochtans elk de helft van hadden betaald. Ik dácht er nog niet aan dat sussen van haar geweten te boycotten door heibel te gaan maken, gewoon omdat ik nergens aan kon denken. Ik begon wel een aantal gedachten, meestal met ‘Misschien had ik meer …’ of ‘Ik heb nooit beseft dat …’ of ‘Het is mijn eigen schuld dat …’ maar verder geraakte ik niet. Wat ik meer had moeten doen, wat ik had moeten beseffen of wat mijn eigen schuld was leek ineens in drijfzand vast te komen zitten en hoe harder ik me inspande het boven te halen, hoe sneller ik het het zand in dreef.
Nina, godverdomme. Ik zag mezelf daar zitten, een lamme hond, met op de achtergrond die koelkast en die wasmachine die, ik overdrijf niet, vier dagen nadat ze definitief weg was, de geest gaf. Het water geraakte niet meer weggepompt. Ik haalde mijn broeken kletsnat uit de trommel en wrong ze uit boven de douche. Het water was troebel, schuimend. Nina, godverdomme.
Natuurlijk was de gedachte al bij me opgekomen dat er een ander was. Ik had het zelfs op een keer aangedurfd haar te vragen of dat zo was. Uit schrik voor het antwoord was ik bijna naar buiten gehold. Maar ze zei ‘neen’ en ik vermeed het naar haar te kijken. Ik was zo opgelucht dat het even leek alsof ze helemaal niet bij me wegging.
Na twee maanden kwam ik erachter dat er wél een ander was. Ik kwam hen tegen op straat. Gaat het ooit anders? Hij heette Dennis en had een rotkop. Gaat het ooit anders? Nina stelde voor met z’n allen een espresso te gaan drinken.
‘Ik drink geen espresso,’ zei Dennis. Dat had ze dus voor mij gedaan, omdat ze had onthouden dat ik dat graag dronk. En die keer dacht ik er wél aan haar het plezier te ontnemen van dat kleine sussende gebaar tegenover haar verminkte geweten.
‘Steek jij die espresso maar in je gewillige kut,’ zei ik. Ze keek me aan, kort.
‘Bennie, ik vind …’ begon Dennis, maar hij vond blijkbaar niet veel want viel stil en toen stonden we daar, met z’n drieën op het voetpad. Er wou een oude vrouw met een wandelstok passeren en we begonnen wat te schuifelen om haar door te laten, waarbij mijn hand onuitstaanbaar zacht langs die van Dennis streek. Ik wou hem slaan, maar dat leek zo ongepast met die vrouw die voorbij schuifelde. En toen ze ver genoeg was, was het moment om mijn vileine woorden kracht bij te zetten door Dennis te slaan, al lang gepasseerd.
‘Een andere keer, misschien,’ zei Nina. Ze kon goed doen alsof haar kut niet ter sprake was gekomen. Of misschien had ze het echt niet gehoord. Zou ik het nog eens herhalen? Ik zag ervan af.
‘Ja,’ zei ik. Plompverloren klonk het, als het likken van je wonden nadat je met grof geschut om je heen schoot en alleen jezelf verwondde.
Toen ik thuiskwam, moeër dan ik ooit was geweest, kleedde ik me helemaal uit en ging ik voor de spiegel in de badkamer staan. Ik kon me niet helemaal zien, maar van mijn onderbenen ging het ook niet afhangen. Ik keek lang naar mezelf, naar de overtolligheid die ik was. Ik nam me plechtig voor alleen nog het strikt noodzakelijke te zijn en daarna schrobde ik me onder de douche tot het bijna pijn deed. Een dichte, verkwikkende slaap van twaalf onafgebroken uren was aan de orde, maar ik geraakte pas in slaap na middernacht en ik droomde dat ik aan de zetel vastgelijmd zat terwijl Nina onder de zetel aan het stofzuigen was.
Ze suste haar geweten door me én de koelkast én de wasmachine te geven, waar we destijds nochtans elk de helft van hadden betaald. Ik dácht er nog niet aan dat sussen van haar geweten te boycotten door heibel te gaan maken, gewoon omdat ik nergens aan kon denken. Ik begon wel een aantal gedachten, meestal met ‘Misschien had ik meer …’ of ‘Ik heb nooit beseft dat …’ of ‘Het is mijn eigen schuld dat …’ maar verder geraakte ik niet. Wat ik meer had moeten doen, wat ik had moeten beseffen of wat mijn eigen schuld was leek ineens in drijfzand vast te komen zitten en hoe harder ik me inspande het boven te halen, hoe sneller ik het het zand in dreef.
Nina, godverdomme. Ik zag mezelf daar zitten, een lamme hond, met op de achtergrond die koelkast en die wasmachine die, ik overdrijf niet, vier dagen nadat ze definitief weg was, de geest gaf. Het water geraakte niet meer weggepompt. Ik haalde mijn broeken kletsnat uit de trommel en wrong ze uit boven de douche. Het water was troebel, schuimend. Nina, godverdomme.
Natuurlijk was de gedachte al bij me opgekomen dat er een ander was. Ik had het zelfs op een keer aangedurfd haar te vragen of dat zo was. Uit schrik voor het antwoord was ik bijna naar buiten gehold. Maar ze zei ‘neen’ en ik vermeed het naar haar te kijken. Ik was zo opgelucht dat het even leek alsof ze helemaal niet bij me wegging.
Na twee maanden kwam ik erachter dat er wél een ander was. Ik kwam hen tegen op straat. Gaat het ooit anders? Hij heette Dennis en had een rotkop. Gaat het ooit anders? Nina stelde voor met z’n allen een espresso te gaan drinken.
‘Ik drink geen espresso,’ zei Dennis. Dat had ze dus voor mij gedaan, omdat ze had onthouden dat ik dat graag dronk. En die keer dacht ik er wél aan haar het plezier te ontnemen van dat kleine sussende gebaar tegenover haar verminkte geweten.
‘Steek jij die espresso maar in je gewillige kut,’ zei ik. Ze keek me aan, kort.
‘Bennie, ik vind …’ begon Dennis, maar hij vond blijkbaar niet veel want viel stil en toen stonden we daar, met z’n drieën op het voetpad. Er wou een oude vrouw met een wandelstok passeren en we begonnen wat te schuifelen om haar door te laten, waarbij mijn hand onuitstaanbaar zacht langs die van Dennis streek. Ik wou hem slaan, maar dat leek zo ongepast met die vrouw die voorbij schuifelde. En toen ze ver genoeg was, was het moment om mijn vileine woorden kracht bij te zetten door Dennis te slaan, al lang gepasseerd.
‘Een andere keer, misschien,’ zei Nina. Ze kon goed doen alsof haar kut niet ter sprake was gekomen. Of misschien had ze het echt niet gehoord. Zou ik het nog eens herhalen? Ik zag ervan af.
‘Ja,’ zei ik. Plompverloren klonk het, als het likken van je wonden nadat je met grof geschut om je heen schoot en alleen jezelf verwondde.
Toen ik thuiskwam, moeër dan ik ooit was geweest, kleedde ik me helemaal uit en ging ik voor de spiegel in de badkamer staan. Ik kon me niet helemaal zien, maar van mijn onderbenen ging het ook niet afhangen. Ik keek lang naar mezelf, naar de overtolligheid die ik was. Ik nam me plechtig voor alleen nog het strikt noodzakelijke te zijn en daarna schrobde ik me onder de douche tot het bijna pijn deed. Een dichte, verkwikkende slaap van twaalf onafgebroken uren was aan de orde, maar ik geraakte pas in slaap na middernacht en ik droomde dat ik aan de zetel vastgelijmd zat terwijl Nina onder de zetel aan het stofzuigen was.