Wormgat
Het was een mooie zondag om een wormgat te bezoeken, dus
deden we dat. Het was herfst, de nachten verdrongen de dagen. We waren even
onderweg want wormgaten liggen niet om de hoek, maar we hadden elk een tijdschrift
bij en voor we het wisten waren we ter plekke en konden we het wormgat
bewonderen. Het zag er vrij gestroomlijnd uit, afgetraind bijna, een beetje
zoals een metalen buis in de speeltuin, maar dan uitgerekter en minder metalig.
‘Nou dan,’ zei ik en ik keek naar hem, want het was altijd leuker om de persoon
te bewonderen die het zicht bewonderde, dan om het zicht zelf te bewonderen. Ik
zag dat hij onder de indruk was en dat stemde me blij en verwachtingsvol.
‘Ga jij aan de andere kant staan en dan roepen we iets naar elkaar,’ stelde ik
voor en dus liep hij van me weg naar de uitgang van het wormgat, al was er
strikt genomen geen ingang of uitgang. Dat was ook zo mooi aan een wormgat, dat
er geen begin of einde was, helemaal anders dan bij een techno-feestje of een
mensenleven, bijvoorbeeld. Toen hij aan de andere kant stond, stak ik mijn kop
in het wormgat en net toen ik dat deed hoorde ik mijn echo van zijn naam. Dat
was vreemd, want ik had helemaal nog niets geroepen. Ik riep alsnog zijn naam,
enkele seconden na mijn echo, waarna het stil werd. Kort daarna hoorde ik
opnieuw een echo, van míjn naam ditmaal, vragend, en die zwol aan en eindigde
met zijn stem die mijn naam riep vanaf de andere kant.
Toen hij weer bij me was, vroeg ik hoe het kon dat de echo eerder was geweest
dan het geluid zelf, en hij legde uit dat een wormgat een soort shortcut in de
tijd was, en ik dacht daar kort maar heel diepgaand over na.
‘En wat als we zwijgen nadat we de echo horen?’ vroeg ik en hij zei dat dat
onmogelijk was.
‘En wat als we roepen nadat we geen echo horen?’ vroeg ik en hij zei opnieuw
dat dat onmogelijk was.
‘Waarom is het onmogelijk? We hebben het toch maar gewoon te doen?’ vroeg ik en
hij keek me alleen maar aan en het moment leek het omgekeerde van een déjà-vu:
terwijl het gebeurde leek het al nooit gebeurd.
Ik zag een buitenkans en ik stak mijn hoofd al in het wormgat. Ik hoorde niks,
dus wou ik roepen, maar in de plaats daarvan werd ik het wormgat ingezogen en
ik kwam exact onder een opgeprikte kever terecht.
Het was een mooie zondag. Zomer, bijna.