Botervlootje
Enkele maanden voor hij naar een woonzorgcentrum verhuisde,
ging ik op bezoek bij mijn opa. Hij woonde toen in zijn eentje in een plat huis
waar ooit zes mensen hadden gewoond. Twee van hen waren al dood. Mijn moeder
leefde nog, op mijn opa’s begrafenis stond ze te huilen met mijn broers arm om
haar altijd al smalle schouders. Mijn schouders had ik niet van haar.
Mijn opa gooide het lege botervlootje in de PMD-zak. Ik zei hem dat dat niet juist was, botervlootjes hoorden toen nog bij het gewone huisvuil, lang voordat de PMD-zak democratischer werd en alle zachte plastics toeliet. Mijn opa geloofde me eerst niet, beweerde dat botervlootjes heel zeker in de PMP-zak thuishoorden en zocht de vuilophaalkalender in zijn zware, zwarte kast, want daar stonden de regels op. De regels gaven hem ongelijk. Wel dan, zei hij, maar hij liet het botervlootje zitten en zei dat hij niet meer van gewoonte ging veranderen. Hij was er te oud voor, zijn gewoontes waren driekwart van zijn leven geworden, of vier vijfden misschien – alleszins veel. Ik knikte, ook al kon ik het niet begrijpen, en toen hij jaren later stierf kon ik niet naar zijn foto’s kijken die vooraan geprojecteerd werden tijdens de niet-religieuze herdenking. In de plaats daarvan keek ik naar mijn zoon, en ik dacht aan alle gewoontes die ikzelf had en die misschien wel, misschien niet in strijd waren met de regels en hoe ze langzaam mijn leven vulden met het soort zin dat je verzint omdat je er traag maar zeker achter komt dat er eigenlijk echt, echt gewoon niets anders is.