Kerstdag, Nukerke, 1991

Ik ben in het huis dat alles binnenstebuiten keert. In de inkomhal is potaarde met planten erin, tot het plafond, ze bewegen niet want hier is de wind stil. Als je doorloopt krijg je inkijkjes in andere kamers, telkens weer, door glasdallen en dat teveel aan open deuren. Wil je appelsap, vraagt ze, ja dat wil ik, rinkelend uit een glas van koud kristal. Terwijl het licht achter me is, wegrollend over de rug van de tuin, de tuin zonder stoelen – je kon wel op de dorpel zitten! Wat wij deden, met geplukte bloemen die in elkaar haakten rond onze nek. Vrolijk zijn, altijd, want je weet niet wat op zolder huist. De bloemen gingen uiteindelijk toch slap hangen en stinken. Als je enkel de donkere toetsen induwt ben je verder weg van elk huis in dit dal. Ik doe het. Mooi, zeggen ze, ik zie hun gezichten in het gespikkelde zwart van kerstmis, half zes, de messen op tafel. Alle ijstaart is op. Het plastieken pastellen jezusje ligt in een hoek, geboren en al. Ik heb mijn brief voorgelezen, traag probeerde ik, omdat dat moest, want aan snel heeft niemand iets! zei ze. Was het goed? Dat volgde niet. De koekoek toont zich, het is weer tijd, dat is vroeg of laat zo. Kom, we gaan. Zeg dank je wel. Vrolijk zijn, altijd, want je weet niet wat, je weet het gewoon niet dus doe je schoenen aan en knik, op het tuinpad grote passen, knik, je schoenen nog ongestrikt, dat doe je als je straks in de auto zit.

Populaire posts van deze blog

Rand

Moet je horen

Hilde