Brammetje
We hadden vroeger een kuiken, Brammetje. We hadden Brammetje gekregen op school, vlak voor de paasvakantie. Dieren kon je toen nog gratis weggeven, niet alleen kuikens maar ook vissen in doorzichtige zakjes, op de kermis. Niemand had toen in de gaten dat dat niet zo juist was. Die vissen gingen toen ook nog gewoon in een snoepbokaal met kiezels en water. Toen mensen zich begonnen af te vragen of die vissen zich misschien verveelden, was er altijd iemand die zei dat ze maar een geheugen hadden van vier seconden: ha ha ha, lachen. Brammetje kreeg een kooitje in de veranda. Dat hij een haan zou worden, kwam geen second bij me op. Echt spelen met Brammetje kon je niet, dus keek ik wat naar hem. Terwijl hij in zijn kooitje naar mij keek. Op een dag was Brammetje weg. Mijn ouders zeiden dat hij uit zijn kooi was ontsnapt en in de doos met waspoeder was gevallen. Zijn dode kuikenlijfje kregen we niet te zien, daarvoor waren we te jong. Even later hadden we een hamster, en ook die ontsnapte en kwam in het waspoeder terecht. Mijn ouders waren niet zo goed in het bedenken van diervriendelijke scenario’s die verklaarden waarom onze huisdieren plots verdwenen. Ik weet nog altijd niet wat ze met Brammetje en de hamster gedaan hebben, maar ik hoop dat het niet erger is dan wat ik nog soms denk te zien: een hand piepend pluis die zich onderin de doos Dash opent, de dood die zich openbaart in de geur van verse lakens.