Ja en nee
Dat spelletje waarbij je moet raden welke persoon iemand in zijn hoofd heeft (Is het een man? Is hij familie? Is het Donaat Deriemaeker?) maar dan tot de derde macht, dat spelen wij vaak op mijn vraag. Dat spelletje laat me toe om de boomstructuur in mijn hoofd op de wereld te leggen en vast te stellen dat die structuur best wel werkt. Gisteren bijvoorbeeld ging ik in ongeveer een kwartier van ‘Leeft het?’ (neen!) naar ‘Is het het lettertype sans serif?’ (ja!). Goed, ik zei eerst sans sheriff omdat ik een suboptimaal geheugen heb, maar evengoed had ik alles wat bestaat, van mensengroepen over lichaamsdelen over filosofische concepten tot lettertypes aan de hand van ja/nee-vragen herleid tot een twijgje in mijn boomstructuur.
Ik houd immens veel van ja/nee-vragen, zoveel dat ik er soms
van verdacht word binair te denken, waarbij de weg naar ‘ongenuanceerd’
uiteraard open ligt. Geen vrije wil? Mijn gebrek aan nuance! Vinden dat de
wereld naast geld een systeem van ecobonnen nodig heeft? Mijn gebrek aan
nuance! Erfenissen immoreel vinden? Jawel.
Als een ja/nee-antwoord ontoereikend is, dan moet de vraag
gewoon fijnmaziger geformuleerd worden. Het is de fout niet van de ja en de
nee, zeker niet. Ik denk dat ik zolang ik leef zal weigeren te geloven dat het
de fout van de ja en de nee is. Ik wil daar in de marge trouwens bij opmerken dat
ik doorgaans oplet met denken dat iets voor altijd is. In dit geval is dat
enkel een signaal van mijn vertrouwen in de ja en de nee.
Met de leeftijd ben ik grijstinten niet meer beginnen
appreciëren, ook al lijk je dat te horen zeggen eenmaal je volgens de
verwachting in de helft zit. In de plaats daarvan heb ik mijn potlood
aangescherpt in de hoop ermee langs de ragfijne grenslijntjes te kunnen gaan
die dingen, concepten en indrukken van elkaar onderscheiden. Elk in een vakje.
Knus en ondubbelzinnig. Geruststellend glashelder.