Tram

Ik zit op de tram, op de plek die vrijkwam nadat ik tien seconden nadrukkelijk keek naar de rugzak die er eerst lag. Het meisje ernaast nam hem weg alsof het om een toevallige actie ging die geen verband hield met mijn blik. Ik ging toch zitten. Over de vertraagde tram praat ze, het meisje met de rugzak, met het meisje dat tegenover haar zit met haar zwarte kap over haar hoofd getrokken, ogen die alles hebben gezien, gruwelijk mooi. Ze spreken een taal die ik automatisch onder mijn loep leg. Ik hoor er Gents in en Arabisch. Dat het Arabisch is, weet ik alleen omdat ze het zelf benoemen. Het meisje met de rugzak was onlangs jarig en boos omdat haar ouders haar verjaardag vergaten, waarna ze had gezegd: als ik zeventien ben, ben ik hier weg. Of zestien, zegt ze er snel bij, want dat komt sneller. Het meisje met de kap knikt: ga ik ook doen, ik ga de deur achter me dichtslaan en eindelijk mijn eigen leven leiden. We gaan zo laat op school zijn, reageert de rugzak. Wattafuk, zegt de kap. Niet onze schuld, zegt de rugzak, met een sch die niet schuurt zoals het moet maar schuimt. Badschuim, deze meisjes zijn van badschuim, maar als je niet uitkijkt glijd je uit en kom je met je tanden op de badrand terecht. Wat had ik moeten zeggen tegen mijn ouders, gaat rugzak verder, dat ik jarig ben? Zo schaamtelijk, schuimt ze. Cringe, beaamt de kap, het klinkt als iets wat breekt, en ook wattafuk. Ik ben weg als ik zestien ben, mijn vader slaat me. Rugzak weer. Zo niet ok, zegt kap, en ze kijkt naar buiten, met haar ogen die altijd alles hebben gezien, zie ik. De tram stopt, ze glippen naar buiten, alsof het weer toevallige acties betreft die niks met de rest te maken hebben: het openklappen van de deuren, het uur waarop de school begint, hun leven dat al begonnen is nog voor het hoort te beginnen.

Populaire posts van deze blog

Rand

Moet je horen

Hilde